Binnen dit onderzoek is verkend hoe gemeenten en aannemers effectiever kunnen samenwerken aan circulaire doelstellingen binnen GWW-projecten, met gebruik van de uniforme aanpak die door Stichting Pioneering is ontwikkeld. Hoewel deze aanpak tot doel heeft om circulariteit beter te borgen in aanbestedings- en uitvoeringsprocessen, blijkt in de praktijk dat de implementatie versnipperd en beperkt is. Gemeenten interpreteren de uniforme aanpak verschillend en vullen het begrip circulariteit elk op hun eigen manier in, vaak gekoppeld aan CO₂-reductie, hergebruik of brede SDG-doelen. Tegelijkertijd ervaren aannemers dat zij weinig grip hebben op de invulling van duurzaamheid binnen projecten, en dat circulariteit zelden meetbaar, controleerbaar of contractueel geborgd is. Daardoor ontstaat er ruis in de samenwerking en blijft circulariteit vaak een papieren ambitie.
De centrale onderzoeksvraag luidde: hoe kunnen gemeenten en aannemers effectief samenwerken aan de hand van de uniforme aanpak om circulariteitsdoelstellingen te behalen? Om deze vraag te beantwoorden zijn interviews afgenomen met gemeenten (Hengelo, Enschede, Oost Gelre), aannemers (zoals NTP Infra en Sallandse Wegenbouw) en experts (zoals Hans Boes van Universiteit Twente). Daarnaast is er gebruik gemaakt van documentanalyse en is het IST-SOLL-GAP-model toegepast om verschillen tussen de huidige en gewenste situatie systematisch in kaart te brengen.
De resultaten tonen aan dat samenwerking pas echt effectief wordt wanneer er sprake is van gezamenlijke definities, meetinstrumenten, procesafspraken en wederzijdse betrokkenheid. Een belangrijke constatering is dat aannemers circulariteit wel degelijk als belangrijk thema erkennen, maar dat zij de bestaande aanbestedingspraktijk als remmend ervaren. In RAW-bestekken is nauwelijks ruimte voor alternatieve oplossingen, terwijl ook bij geïntegreerde contractvormen als UAV GC vaak onduidelijkheid bestaat over de beoordelingscriteria. De CO₂-prestatieladder wordt als werkbaar instrument gezien, maar de MilieuKostenIndicator (MKI) wordt juist als complex en inconsistent ervaren. Bovendien blijkt uit interviews dat veel aannemers nauwelijks bekend zijn met de uniforme aanpak van Pioneering, wat duidt op een gebrek aan actieve communicatie en praktijkimplementatie.
Aan gemeentelijke zijde spelen andere obstakels. Er is wel beleidsmatige aandacht voor circulariteit, maar door een tekort aan capaciteit en concrete tools blijft dit vaak steken in abstract beleid. Gemeenten ervaren moeite met het formuleren van circulaire eisen die juridisch houdbaar, praktisch uitvoerbaar en marktconform zijn. Hierdoor blijven veel projecten afhankelijk van het initiatief van individuele ambtenaren of externe adviseurs. Tegelijkertijd wordt samenwerking met aannemers beperkt door aanbestedingsregels die vroege marktbetrokkenheid inperken. Dit leidt tot een lineair proces waarin kansen voor co-creatie en innovatie verloren gaan.
Op basis van de gesignaleerde knelpunten zijn concrete aanbevelingen geformuleerd om de
samenwerking tussen gemeenten en aannemers structureel te verbeteren. De eerste stap is het
gezamenlijk vastleggen van uniforme definities en uitgangspunten. Het begrip circulariteit moet
eenduidig gedefinieerd worden, waarbij duidelijk wordt wat onder bijvoorbeeld “50% circulariteit” wordt verstaan. Alleen dan kunnen prestatie-eisen worden gekoppeld aan uitvoerbare plannen. Vervolgens dient er één meetinstrument gekozen en gedragen te worden, waarbij de CO₂-prestatieladder nu het meest werkbaar wordt gevonden. Hiermee kunnen partijen circulaire prestaties toetsen, vergelijken en evalueren.
Daarnaast moet de uniforme aanpak van Pioneering niet alleen beleidsmatig worden uitgedragen, maar ook vertaald worden naar concrete tools, sjablonen en faseringen die toepasbaar zijn in projecten. Denk aan gestandaardiseerde stappenplannen, beslisbomen, formats voor aanbestedingsteksten en beoordelingskaders. Deze elementen kunnen worden aangeboden in de vorm van een praktische toolkit, beschikbaar via een regionaal kennisplatform. Dit platform zou bovendien kennisdeling en training moeten faciliteren, met praktijkvoorbeelden, benchmarks en ruimte voor evaluatie.
Een andere cruciale aanbeveling is het stimuleren van lokale aanbesteding. Aannemers geven aan dat lokale partners beter aansluiten op de duurzame ambities en dat kortere ketens bijdragen aan CO₂-reductie, lagere transportkosten en snellere communicatie. Door lokale inschrijving te stimuleren of een gunningsvoordeel te koppelen aan regiobinding, ontstaat meer draagvlak en betrokkenheid. Bovendien is het aan te bevelen om vaker gebruik te maken van bouwteams, waarbij opdrachtgever en opdrachtnemer in een vroeg stadium samenwerken aan ontwerp, haalbaarheid en circulaire keuzes. Deze contractvorm maakt het mogelijk om inhoudelijke doelen zoals circulariteit te combineren met praktische kennis vanuit de uitvoering.
Tot slot wordt geadviseerd om binnen de uniforme aanpak ruimte te maken voor monitoring en
leerprocessen. Circulariteit is een complex en veranderlijk thema. Zonder systematische evaluatie en terugkoppeling ontstaat er geen verbetering. Projecten moeten na afronding geëvalueerd worden op basis van inhoudelijke doelen, proceskwaliteit en samenwerking. Deze lessen kunnen vervolgens worden opgenomen in de volgende aanbestedingen. Dit vraagt om bestuurlijke betrokkenheid, discipline in evaluatie, en bereidheid tot aanpassing.
Samengevat: als gemeenten en aannemers samen de juiste condities scheppen – uniforme definities, bruikbare tools, heldere meetmethoden, structurele communicatie en voldoende vrijheid binnen aanbestedingen – kan de uniforme aanpak uitgroeien tot een krachtig middel om circulariteit breed en meetbaar te verankeren in GWW-projecten. Alleen dan ontstaat een duurzame ketensamenwerking waarin doelen niet alleen worden uitgesproken, maar ook daadwerkelijk gerealiseerd.
Adviesrapport
Lees hieronder het volledige adviesrapport.









